Leiden in tijden cholera:
lessen uit het verleden
Bob-Jan Kreiken  • Honours College

Lege straten. Stille kroegen. Al met al is het een macaber gezicht. Maar Leiden heeft eerder geleden onder epidemieën, van de eerste pestuitbraak in 1557 tot dysenterie in 1940. We blikken terug op de choleraepidemieën die onze stad gedurende de periode 1832-1866 teisterden.

De Leidse huisarts, schrijver en promovendus Har Meijer (79) schreef in 2005 zijn proefschrift Het vuil, de stad en de dokter over het functioneren van dokters in deze woelige tijden, die tevens als inspiratie dienden voor zijn debuutroman De blauwe dood. Dit verhaal over hartstocht en collegiale concurrentie tussen doctoren en chirurgijns is gegoten in het historische verslag over het verloop van de cholera-uitbraak in 1832 door Cornelis Pruys van der Hoeven, hoogleraar geneeskunde en later Rector Magnificus van 1839-1840, die tevens als zichzelf figureerde in Meijers boek. In de regentenkamer van het Caeciliagasthuis, destijds de zetel van het Academisch Ziekenhuis (nu gebruikt door het Rijksmuseum Boerhaave), spreekt hij naar aanleiding van de reeds geconstateerde Cholera Asiatica de Leidse geneesheren en dokters toe: ‘’Waarde collegae, wij staan aan de vooravond van een aanval van een onbekende, duistere ziekte op onze stad. Mijn mening kan over enige weken, wanneer er meer bekend is, totaal veranderd zijn.’’

“Kaart der Stad Leiden aanwijzende de sterfte aan cholera en typhus gedurende de jaren 1853-1869 benevens sommige ophopingen van schadelijk vuil.”

Baard is een geneesheer wonende aan de Herengracht en werkt aan het front van deze zich ontwikkelende epidemie. De respectabele weduwnaar verleent zijn zorg aan de bewoners van armzalige stadsbuurten. Zijn patiënten die een nieuw ziektebeeld vertonen, kreunen en braken onder hun eigen fecaliën, totdat ze met blauwe en opgezwollen ledematen hun laatste adem op hun strobedden uitblazen. De dokters bundelen hun kunde en kennen om de dooddoener te doorgronden. Zoals de cholerabacterie de lijder kwelt, wordt de nobele doktersgilde verscheurd door wraak, lust en jaloezie. Te midden van deze verschrikking raakt Baard verwikkeld in een complot met de chirurgijn Donkerman en de mooie zusters Selier. 

Naast leesplezier bieden Meijers thriller en proefschrift ook een inzicht in de 19de-eeuwse heelkunde en kunnen ze ons helpen om de huidige coronacrisis in context te plaatsen. Het is 1832, de eerdere teloorgang van de lakenindustrie betekent dat veel rijke Leidenaren zijn verhuisd. Ze laten een stad achter waarvan een derde van de inwoners ‘’behoeftig’’ is en dicht op elkaar in onhygiënische stegen en achterbuurten woont. De stad is rijp voor cholera. De eerste dode Cornelis Schalkwijk, wonende aan de Kruisstraat, viel op 5 augustus 1832 te betreuren. Hij was vermoedelijk besmet door contact met dekens uit Rotterdam en Delft die waren gewassen in het vuile grachtenwater. Hierna werden in de mum van vier dagen de eerste zes choleralijders, in de volksmond ‘kolerelijers’, allen in paralytische stand opgenomen waarop zij, waaronder Cornelis’ zonen Wilhelmus en Johannes, spoedig overleden. Met een sterftecijfer van 44% van de opgenomen patiënten in hospitalen is er initieel veel weerstand jegens de dokters, totdat lijken zich in stegen ophopen. De toenmalige ambulances, simpele draagmanden, hielpen daarbij ook niet mee om de angst in te perken. 

De Leidse gemeente en geneesheren waren allerminst verrast door de uitbraak. Al op 7 juni 1831 brengt de Plaatselijke Commissie van Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzigt advies uit aan de Staatsraad-Gouverneur van Zuid-Holland en het college van B&W. Korte tijd later geeft Minister van Doorn van Binnenlandse Zaken met persoonlijke betrokkenheid van de koning op 6 juli gemeenten de opdracht om maatregelen te treffen. Voordat de epidemie Leiden bereikt is er al een choleracommissie opgezet en zijn het Bureau van Gezondheid in het Logement aan den Burg (tegenwoordig de stadsbibliotheek) en drie cholerahospitalen opgericht in onder andere de Lakenhal en het Nosocomium Academicum (Oude Vest 35). De voorbarige onrust ten spijt was Leiden met dank aan de medici goed voorbereid.

Cornelis Pruys van der Hoeven (1792-1871), hoogleraar geneeskunde en Rector Magnificus Universiteit Leiden (1839-1840). Portret uit 1855.

Toch kan het gedrag van de gemeente en de verantwoordelijke commissies toentertijd als hautain worden bestempeld. De adviezen van stadsgenees- en heelkundigen, die de zorg van de cholerapatiënten met de nodige risico’s voor zichzelf en dierbaren op zich namen, werden door de ambtenaren genegeerd, dan wel in afgunst afgenomen. De heersende mentaliteit was dat de doctoren slechts patiënten moesten behandelen en wetenschap moesten beoefenen; de autoriteiten maakten wel de besluiten over de te nemen maatregelen.

Echter zien we wel de hoopvolle solidariteit die zich tegenwoordig weer bewijst terug bij de Leidse bevolking. In een brief in de Leidsche Courant gedateerd 30 augustus 1832 bedankt burgemeester de Mey de bevolking voor hun gulle bijdragen van geld, voedsel en kleding aan de gemeentelijke collecte voor het opschalen van de zorg aan arme gezinnen in nood. Een heugelijk feit, hoewel achteraf bleek dat hiervan tienduizend gulden vermoedelijk door onder andere gemeentesecretaris P.A. du Pui is verdoezeld bij liefdadigheidsinstellingen. Als de epidemie beteugeld lijkt te zijn worden alle geneeskundigen door het college B&W in een brief ruimhartig bedankt. Van Kaathoven, secretaris van het Bureau van Gezondheid, schrijft namens alle dokters naar de minister om hun gedane zorg te bepleiten en biedt trouw en volhardend hun dienst aan tijdens toekomstige epidemieën. Op 1 december is de (eerste) Leidse choleraepidemie ten einde. In totaal bezwijken er 485 van de ruim 30.000 Leidenaren in 1832 aan de gevolgen van de Aziatische Braakloop, ofwel 1,6% van de stadsbevolking. 

Ondanks haar standvastige optreden, de verbetering van sanitaire voorzieningen en het dempen van enkele grachten is Leiden verder van cholera niet gespaard gebleven. In 1833 slaat de epidemie weer kortstondig toe en maar liefst nog zevenmaal tussen 1847 en 1867. Wat betreft verbeteringen in de zorg is de vooruitgang betreurenswaardig. Overbevolkte ziekenboegen, onkundige bestuurders en misbruik van de receptuur door gezonde burgers zijn aan de orde van de dag. Chirurg majoor Gobée bemerkt: ‘’Wie wil leeren hoe een ziekenhuis niet moet worden ingerigt, kome te Leyden en bezoeke het Caeciliagasthuis. Smerig, stinkend, vuil en morsig in alle deelen van onder tot boven.’’ (En dat over de voorganger van het huidige LUMC…) Maar in plaats van de problemen bij de wortels aan te pakken, worden de dokters tot zondebokken voor dit disfunctioneren gemaakt. In het merendeel van de gemeentelijke adviescommissies neemt geen één stadsgeneesheer zitting. Op den duur raken ook de stadsdokters aan hun zijde onverschillig en begaan zij steeds meer fouten. Bezorgd en gefrustreerd over de kwaliteit van hun onderwijs en de zorg voor de armen, sommeren geneeskundestudenten in 1857 de gemeenteraad om het inmiddels zes jaar oude besluit om het stedelijk ziekenhuis te renoveren eindelijk doorgang te laten vinden. Pas in 1867, als de status van de geneesheren en het publieke vertrouwen in hun kunde ernstig zijn geschaad, wordt aan de bouw begonnen, veertien jaar na het tekenen van de overeenkomst. 

Het zal geen verrassing zijn dat Leiden niet goed was voorbereid op de terugkomst van de cholera in 1847. Leiden was niet alleen. In heel Europa heerste een anticontagionistische houding. De heersende miasmatheorie zocht de oorzaak van epidemieën niet bij besmettelijkheid, maar bij vuile lucht van rottend organisch materiaal. Ook de Nederlandse regering was deze mening toegedaan en was nog gebrekkiger aan medische kennis dan in 1832. Er worden nauwelijks quarantainemaatregelen genomen om de ziekte in te dammen. Diezelfde van Kaathoven uit 1832 speelde een leidende rol in het herstellen van het vertrouwen in de medici, dat sindsdien volledig was uitgehold. Herhaaldelijk worden hij en de stadsgeneesheren in kritische doch ongefundeerde rapporten te schande gemaakt. Patiënten weigeren opgenomen te worden en zoeken hun toevlucht tot thuisverpleging en opiumdranken, waardoor velen van hen onnodig sterven. Ondanks de geneeskundige staatsregelingen waarmee Thorbecke in 1865 de positie van op wetenschap gebaseerde besluitvorming versterkte, was het Leidse sterftecijfer in 1866 twintig procent hoger dan in 1832.

Tezamen kostten de negen choleraepidemieën 3.143 Leidenaren het leven. In relatie tot de duizelingwekkende hoge sterftecijfers ten tijde van de pestuitbraken kwam Leiden weg zonder al te grote kleerscheuren. Toch hadden veel levens gespaard kunnen blijven als de beleidsmakers hun besluiten hadden gegrond in de medische wetenschap. Evenzeer had de bevolking zichzelf beter kunnen beschermen, als ze de adviezen van haar doctoren ter harte had genomen.

Deze periode biedt perspectieven voor de aanpak van de huidige coronacrisis. Allereerst blijkt ons verlangen voor autonomie en democratische besluitvorming de mogelijkheid tot daadkrachtig optreden dicht te slibben met bureaucratische wirwar. Ten tweede blijkt systematisch wantrouwen in de adviezen van artsen en medische wetenschappers fataal en blijkt het een heuse opgave om dit te herstellen. En tenslotte gebiedt het verleden ons niet stil te zitten als we een epidemie beteugeld hebben: een nieuwe ligt op de loer. 

De terughoudendheid van overheden om kordaat na de uitbraak te handelen, is de oorzaak van het ontstaan van vele besmettingshaarden. Maar dit desastreuze beleid is zelf een symptoom van datzelfde wantrouwen in de wetenschap, dat ouders ertoe drijft om hun kinderen niet te vaccineren. Het is dus een geruststellend teken dat de Nederlandse regering zich de RIVM-adviezen en de verhalen van verplegers en IC-artsen over corona aan het hart neemt. Met Thorbeckes portret achter hem leek Rutte vanuit het Torentje te willen uitstralen: ‘’Een ezel stoot zichzelf niet tweemaal aan dezelfde steen. We lopen niet achter de feiten aan.’’

Terwijl Har Meijer de laatste hand legt aan zijn nieuwe boek In blessuretijd: overwegingen van een gepensioneerde huisarts in tijden van de coronacrisis, is zijn voorgaande werk perfecte leeskost tijdens onze isolatie. Een geneeskundestudent kan daarbij zijn interesses bevredigen met 19de-eeuwse diagnostiek en achterhaalde medische ingrepen zoals aderlaten, waar de leek memorabele lessen krijgt in burger- en leiderschap. Deze lessen komen nu goed van pas, maar zijn er voor alle tijden. Want knoop goed in je oren: ook al is het weer prachtig vandaag, achter de blauwe horizon schuilen de stormen.

Leidsche Courant 30 augustus 1832: Burgermeester de Mey bedankt de Leidse bevolking voor hun gulheid tijdens de gemeentelijke collecte.

Toelichting
In verband met de coronacrisis heb ik een onderzoek gedaan naar de choleraepidemieën in Leiden in de negentiende eeuw aan de hand van het proefschrift en de roman van de Leidse huisarts Har Meijer. Het is het waard om lessen te trekken uit deze geschiedenis en de huidige crisis in context te plaatsen. Zelf schrijf ik in mijn vrije tijd columns voor verenigingstijdschriften en - zo nu en dan - voor kranten.